De keerzijde van een landbouwexportrecord

Vorige week berichtten de Nederlandse media in grote koppen dat de Nederlandse landbouw een record had gebroken. In 2016 is er maar liefst voor 85 miljard euro aan landbouwproducten geëxporteerd. Hiermee staat Nederland na de VS wereldwijd op de tweede plaats in deze ranglijst. Een sterke prestatie voor zo’n klein land!

Wat er echter niet bij vermeld wordt is wat de kosten zijn die met dergelijk record gepaard gaan, vanuit duurzaamheidsoogpunt gezien.

De agrarische sector is goed voor zo’n 54% van het bodemgebruik in Nederland. Het overgrote deel van dit landgebruik is zeer intensief, met hoge input van chemicaliën voor gewasbestrijding, hoge mesttoediening, sterk gereguleerde grondwaterniveau’s, gebruik van zware machines, hoge veedichtheid, en steeds grotere en eenvormiger landbouwpercelen. Dit heeft directe gevolgen voor de kwaliteit van het milieu en van de natuur. Hetzelfde Centraal Bureau voor de Statistiek dat het nieuws over het record naar buiten bracht meldde vorige maand nog dat in 2016 alweer het zogenaamde fosfaatplafond overschreden was en de Nederlandse landbouw (vooral de pluimveesector) dus meer fosfaat uitstoot dan goed (en wettelijk toegelaten) is voor een gezond milieu. Ook de belasting door onder andere nitraten en fijnstof is nog steeds te hoog.

In algemene zin blijven landbouwactiviteiten een grote druk op het milieu leggen, zoals wederom werd vastgesteld in de Balans van de Leefomgeving 2016. Die milieudruk – en vooral de huidige manier van landbouw bedrijven – blijft een enorme impact hebben op de natuur. Hoeveel vlinders zie je bijvoorbeeld nog in een intensief beheerd weiland? Het rapport van het Europees milieuagentschap uit 2015 over de toestand van de Europese natuur toont schrijnend genoeg aan dat Nederland de slechtste leerling is van de Europese klas als je kijkt naar de kwaliteit van leefgebieden voor beschermde plant- en diersoorten. Slechts 4% van de leefgebieden bevinden zich in een goede staat voor een langdurig behoud. Ook hier wordt vooral de landbouw met de vinger gewezen.

Het bijft een lastig dilemma in natuurbeschermingskringen. Landbouw is door de eeuwen heen een bron geweest van veel biodiversiteit, zeker in Europa. Veel soorten en leefgebieden hangen af van een bepaalde vorm van landbouw. Denk bijvoorbeeld aan weidevogels, akkerplanten, of de soortenrijke kurkplantages in Portugal en Spanje. De landbouw zit echter met de uitdaging dat een groeiend aantal aardbewoners gevoed moet worden, wat aangehaald wordt als reden waarom steeds intensiever wordt gewerkt, met alle milieugevolgen vandien.

Dit moet toch ook anders kunnen, met meer aandacht voor een ecologisch duurzame en regionaal gerichte landbouw. Niet alleen op hoog niveau, door wereldwijd te streven naar een ander consumptiepatroon, maar ook op lager niveau door slim om te gaan met landgebruik en meerdere gebruiksfuncties te koppelen. Een landbouwgebied kan kleinschaliger ingericht worden met veel kleine landschapselementen, lagere input en met inzet van de natuur en ecologie voor bijvoorbeeld gewasbescherming of erosiebestrijding. Dit levert extra waarde zoals een aantrekkelijk gebied voor recreatie en wonen, zuiverder water en lucht, en een hogere natuurwaarde. En ook een landbouw die dichter bij huis is en waarbij wij consumenten eten wat de streek en het seizoen bieden kan veel bijdragen aan een beter milieu en rijkere natuur. Dit levert echter geen exportrecords op. Het zou wel de positie van Nederland (en hetzelfde geldt voor andere landen) op de milieu- en natuurranglijst kunnen versterken.