Inspirerende dag over ecologie en de praktijk

Het was een beetje jammer om op deze prachtige lentedag met temperaturen tot 18 graden binnen te zitten. Maar het loonde wel de moeite, dit jaarlijkse symposium voor ecologen uit heel Nederland en Vlaanderen. De 350 deelnemers waren op 16 maart uitgenodigd door bureau Ecologica in het nog steeds indrukwekkende Evoluon in Eindhoven. Het gevarieerde programma met 21 presentaties en een twintigtal informatiestands bood voor elk wat wils, of het nu ging over het toepassen van DNA-technieken bij het monitoren van waterleven, korstmossen op onverwachte plekken, of hoe om te gaan met de terugkeer van de wolf.

Er waren telkens drie presentaties in parallel, wat enige keuzestress gaf want alles leek wel boeiend. Dit is in een notedop wat ik heb opgepikt van de zeven verhalen die ik gehoord heb.

Landelijke vogelmeetnetten bestaan al decennia en worden op een steeds professionelere manier gecoördineerd en uitgevoerd, aldus Chris van Turnhout van de Stichting Sovon Vogelonderzoek Nederland. De informatie die hieruit voortkomt, bijvoorbeeld in de vorm van kaarten en indicatoren, is van essentieel belang voor het vaststellen en uitvoeren van beheermaatregelen en het opvolgen van hun effect. Ook voor beleid, van lokaal tot mondiaal niveau, zijn meetnetten (van vogels en andere soorten) van onschatbare waarde. Het helpt in het vaststellen of natuurbeleid wel vruchten afwerpt of dat er bijgestuurd moet worden.

Sinds 1 januari is in Nederland de nieuwe Wet Natuurbescherming van kracht. Sander Hunink van Ecologica vatte de voornaamste veranderingen samen. De wet vervangt drie eerdere wetten en creëert op die manier meer duidelijkheid. Er zijn een aantal wijzigingen opgetreden in de mate van bescherming van soorten en leefgebieden. De grootste nieuwigheid is echter de decentralisatie, waarbij het Rijk enkel nog superviseert en de Provincies verantwoordelijk zijn voor visievorming, beheerplannen, vergunningverlening, programmatische aanpak, soortbescherming enz. Momenteel zorgt deze verschuiving nog voor de nodige onduidelijkheid en interpretatieverschillen tussen Rijk en Provincies. Ook bestaat het risico dat Provincies met verschillende ambities gaan werken. Er lijkt wel een kentering te zijn naar een aanpak die meer gericht is op het goed ecologisch functioneren van natuurwaarden in plaats van op beperkende maatregelen bij het vaststellen van aanwezigheid van een beschermde soort.

Frank Van de Meutter van het Vlaams Instituut voor Natuur- en Bosonderzoek presenteerde op aanstekelijke wijze wat hij noemde ‘een uit de hand gelopen hobby’. Een aantal jaar geleden begon hij alle soorten die in zijn privétuin voorkomen te inventariseren, om zo een beeld te krijgen van hoeveel tuinen nu eigenlijk bijdragen aan de biodiversiteit. Toegegeven, Franks tuin is – ook naar Vlaamse maatstaven – niet standaard, met een oppervlakte van 1 hectare, gelegen naast een bosgebied. Wat echter naar voren kwam, ook in vergelijking met andere tuinen, is dat – hoe klein ook – elke tuin honderden tot duizenden soorten kan herbergen, van haast onzichtbare schimmels en kriebelende kokerjuffers tot vogels en zoogdieren. Erg indrukwekkende tuinbiodiversiteit, wat echter niet wil zeggen dat tuinen natuurgebieden kunnen vervangen. Die blijven broodnodig voor de echt kwetsbare soorten en leefgebieden.

Uit de Provincie Noord-Holland bracht Frank Kuiper een verhaal over ervaringen met agrarisch natuurbeheer. Steeds meer voorbeelden laten zien dat veel iniatieven ontplooid worden waarbij landbouwers en natuurbeschermers samenwerken voor de bescherming van weidevogels, kleine landschapselementen of bloemrijke akkerranden. Van belang hierbij is dat voldoende aandacht uitgaat naar het landbouwsysteem als geheel, startend van een gezond bodemleven.

Een stadsverhaal kwam van Esther Vogelaar, die de aanpak van natuurinclusief bouwen in Den Haag presenteerde. Er is steeds meer vraag naar innovatieve manieren om natuur ook een plek te geven in nieuw- en verbouw, voorbij het eenvoudig opnemen van dakpannen met gierzwaluwnesten. De voornaamste uitdaging hier is het samenwerken tussen de vele partijen (van woningcorporaties en stedenbouwkundigen tot gemeente-afdelingen en buurtbewoners) en het aantonen van de meerwaarde van natuur in de stad.

Een iets andere aanpak was de mini-workshop over doelgroependenken in de natuursector, geleid door Narda van der Krogt en Youri Jongkoen van communicatiebureau de Lynx. Een geschikte manier om andere doelgroepen te bereiken is door te werken met zogenaamde persona’s, fictieve verpersoonlijkingen van een doelgroep. In kleine groepjes mochten we aan de slag om zelf een boodschap aan zo’n persona over te brengen.

Tot slot ging ik even kijken bij een erg specialistisch thema, bijzonder goed gebracht door Annelies Blankema van de Vereniging van Bos- en Natuurterreineigenaren (VBNE). Het betrof essentaksterfte, een recent opgedoken fenomeen dat potentieel de stand van de Gewone es in Europa kan decimeren. De ziekte wordt veroorzaakt door een infectie met een schimmel met de sprookjesachtige naam ‘Vals essenvlieskelkje’ (niet te verwarren met het inheemse ‘Onschuldig essenvlieskelkje’ J), die meegereisd is met bomen vanuit Mantsjoerije in het Verre Oosten. De essen hier kunnen niet tegen de schimmel en worden er ziek van. Annelies gaf tips aan natuurbeheerders hoe om te gaan met deze nieuwe bedreiging.

Naast de vele presentaties was deze dag de ideale gelegenheid om veel mensen uit het veld te ontmoeten en bij te praten over laatste ontwikkelingen. Ik kijk al uit naar de editie 2018.