Vlinders (ver)tellen

Vanaf vandaag mag ik weer vlinders gaan tellen! Althans volgens het protocol van het landelijk meetnet dagvlinders. Dit meetnet wordt al sinds begin de jaren 1990 gecoördineerd door de Vlinderstichting in Nederland (en vergelijkbare netwerken bestaan elders in Europa). Ik ben sinds een jaar of 15 een van de ongeveer 500 liefhebbers die van april tot eind september wekelijks een vaste route van ongeveer een kilometer afstapt om het aantal vlinders te tellen. Alle tellingen worden landelijk verzameld en verwerkt.

Vind je het vreemd, een volwassen man die vlindertjes telt? Stel je er geen expeditie bij voor waarin ik met vlindernetje en tropenhelm door het gras huppel. Nee, mijn telroute ligt in stedelijk milieu, in hartje Tilburg, waar ik sinds 2010 meehelp aan de ontwikkeling van een biodiversiteitstuin. Door mijn wekelijkse tellingen kan ik onder andere zien dat sinds 2010 het aantal vlinders lokaal enorm is toegenomen. En dus dat zo’n natuurlijker inrichting wel degelijk een positief effect heeft op stadsnatuur. Maar daarover een andere keer meer.

Waarom al dit tellen belangrijk is? Omdat het geheel van alle tellingen een goed beeld geeft van de toestand van dagvlinders en daardoor ook van de natuur en biodiversiteit. Vlinders zijn namelijk goede graadmeters van de natuur. Een beetje zoals destijds een kanarie in de mijnen aangaf of er nog voldoende zuurstof was, zo geeft de vlinderstand een beeld van de gezondheid van onze leefomgeving.

En wat blijkt, na ruim een kwarteeuw tellen? Dat het slecht gaat met de vlinders in Nederland en in ruimere zin in Europa. En dus dat het slecht gaat met onze leefomgeving. Oké, lokaal gaat het hier en daar goed, zoals op mijn telroute. Maar experts kunnen uit alle tellingen statistieken berekenen en grafieken maken; een beetje zoals de Dow Jones Index, maar dan voor de natuur. Als je het totaalbeeld bekijkt dan is de landelijke index van bijvoorbeeld vlinders in grasland sinds begin jaren 90 bijna gehalveerd! Er zijn dus vergeleken met begin jaren 90 half zo veel vlinders (of zo weinig, want toen al was de achteruitgang volop bezig).

De redenen voor deze achteruitgang zijn redelijk goed bekend: verdwijnen van geschikt leefgebied door verstedelijking of infrastructuur, steeds intensievere landbouw waardoor in het landelijk gebied amper nog nectarplanten te vinden zijn, klimaatverandering, en ga zo maar door.

Laat ik er geen doemverhaal van maken. Er zijn lichtpuntjes. De achteruitgang lijkt de laatste jaren wat af te vlakken, lokale natuurherstelprojecten werpen hier en daar hun vruchten af, steeds meer landbouwers proberen met natuur samen te werken, en naast de vele tegeltuinen is er een groeiende groep mensen die in hun tuin of buurt ruimte maken voor wat meer natuur en bloemen – het Idylleproject van de Vlinderstichting is hier een mooi voorbeeld van. Als nu ook op grotere schaal de milieukwaliteit wat verbetert dan komt het wellicht nog goed met de vlinders. En dus ook met ons!

Hup, naar buiten, tellen maar!